Auteur   Bericht
Theo Horsten
+100 Berichten geplaatst
+100 Berichten geplaatst


Geregistreerd op: 21-7-2004
Berichten: 156
Woonplaats: N.Griekenland

BerichtGeplaatst: Vr Aug 20, 2004 9:09 pm    Onderwerp: Een klassiek verhaal  Reageer met quote
DE VUURTOREN

Een verhaal geschreven door Piet Verhoog

Eens, lange jaren geleden, in de tijd nog toen kleine stoomschepen wel 'n machine met één enkele kruk hadden (die bij het manoeuvreren de hardnekkige neiging had om te blijven staan in het dooiepunt), vertrok een vrachtbootje uit 'n Italiaanse haven.
't Was laat op de avond voordat ze reê waren. Wachten op papieren, wachten op de bemanning, die weinig zin had om nou al te verlaten het land-waar-pret-goedkoop-was. Glorieus-dronken struikelden ze aan dek, over de brakkig-krakende loopplank. En de vier matrozen en de vier man machinekamerpersoneel snoefden en bralden om 't hardst. De twee stuurlui en de twee machinisten bralden niet, doch waren verre van nuchter. Zo was de kapitein. Het vertrek liep zonder ongevallen. Er werd gesnauwd, geschreeuwd, gevloekt. Maar niet één die in 't aardedonker knijp kwam tussen 'n tros, het ankerspil begon ineens de goeie kant uit te draaien, er was stoom genoeg en water genoeg in de ketel, en bij het manoeuvreren bleef de “ene poot” van het stoomwerktuig niet eens in het dooie-punt staan. (Wat 'n tijdrovend en riskant experiment was, waarbij alle-hens te pas kwam met talies en handspaken.) Toen buiten de stompe vuurtorentjes van de havenhoofden de loods was gejompt in z'n sloep, en toen achteruit heel langzaam wég-doemden de tintelende havenlichtjes, riep de kapitein de eerste stuurman. Die kwam van de bak af, tegen de ijzeren trapjes opkletteren, en op de smalle brug leunde hij naast de ouwe over het schuilkleedje.
De ogen van de ouwe stonden waterig, en die van de stuurman waren bloedbelopen. Maar dat konden ze niet zien van mekaar, omdat 't zo donker was.
“Nou, stuurman, steek maar wacht op. Wie krijgt de wacht?”
“De twééde,” zei de eerste schielijk.
“Dan weten jullie 't wel. Ik ga wat bovenop de kooi liggen. Ben niks lekker.” De ouwe zakte naar z'n hut, en de eerste riep de tweede.
“Nou, jij heb' de wacht.”
“Nie'waar... (hik)... ik heb vorige keer meteen.... (hik)… de wacht buiten…”
“Wa's dat nou,” kakelde de eerste. “Weet-je niet eens meer dat…”
“Tja... U heb' (hik)... gelijk. Ik heb 'em. Areit.”
“Dan weet-je 't wel. De ouwe ligt op z'n kooi. Heeft niks gezegd. Zet jij... (hik)... de (hik)... de (hik)... de-koers-maar-uit. Goeie wacht.”
“'t Lijkt wel of-ie de (hik)... de hik heb',” hikte de tweede. “Wel te ruste.”
In het sjofel-nauwe kaartenkamer-hokje vloerde de tweede zijn ellebogen uit over de kaart-op-tafel. Kan niks zien, gromde hij, draaide het olielampje met het gebarsten ballonnetje óp tot 'n roetkolom walmde tegen de groezelige dekdelen boven z’n hoofd. Nou kon-ie 't zien. Maar z'n hoofd bonsde, bonsde...
Dáár moesten ze heen, langs die eenzame vuurtoren op het eilandje. Hij was 'r al zo dikwijls langs geweest. Met de pleinschaal morrelde hij over de kaart. “Zuidwest-ten-Westen,” sputterde hij, “nee... Zuidwest-kwart-West... daar hadden we plus 'n kwart deviatie op... min... nee plus... waar is dat lijstje...”
Hij hikte, zette z'n pet af, streek met z'n hand door z’n haar, dat deê pijn. 't Was 'n stoffige rommel in het schemerig-verlichte hokje. In 'n rek staken gescheurde “blue-backs”, opgerolde groot-model Engelse zeekaarten met hardblauw beplakte ruggen. Er stonden verflenste boekwerken, zeilaanwijzingen, 'n lichtenlijst, ’n seinboek. Er zwierven passers, kaartloodjes, 'n scheepsroeper, 'n bollantaarn, 'n misthoren, 'n rolletje stiklijn, 'n peilstok. Er slingerden papiertjes en haveloze boekjes.
Maar wat-ie zocht, 'n vergeeld kartonnen lijstje met de stuurtafel, dat was 'r niet.
Hij kreeg een lumineus idee: 't kladjournaal! Ergens in ’n la moest 't liggen. Had-ie 't zelf ingelegd vóór ze binnenkwamen. Daarin stonden miswijzingen. Het kladjournaal lág in de la. Dat klopte. Plus drie achtste, plus 'n kwart. Mooi... Zuidwest-driekwart… wat was 't ook weer?.. . driekwart-West... plus ’n kwart... is sturen half... nee: Zuidwest-ten-Westen... nee, verdomme, die kop van 'm.
Hij had 'n gevoel of-ie ineens 'n hoofd als 'n stoottalie-blok ge kregen had. Even opschrijven, de secure weg. Stukkie papier, potloodje... potloodje!... niks potloodje...”
In z'n zak zat nog 'n kleverig-invalide potloodje, zonder punt.
“Zakmes!”
Ha, dat had-ie. 'n Zeeman heeft 'n mes. Met 'n knipmes als 'n rapier, in beverige handen, beitel-kerfde hij 'n punt aan het potlood-stompje.
Op-papier doorworstelde hij het probleem: Zuidwest-half-West moesten ze sturen.
Met 'n nerveuze geeuw strekte hij z'n rug, stommelde het brugtrapje weer op, naar het kompas.
“Wat leg-je vóór?” vraag-snauwde hij tegen de lichtmatroos, 'n ventje van twaalf, dat door de maats naar 't roer was gestuurd omdat zij bezopen en slaperig, en “'t kind” nuchter en bescheiden was.
“Zuidwest, stuurman!” piepte 't kind met gewichtig-hoog stemmetje.
H'm, dat scheelde niet veel. Had de ouwe zeker nog gedaan. “Stuur maar Zuidwest-half-West,” beval de tweede.
“Zuidwest-half-West, stuurman.”
“Andersom dan! Verrek!.. . Ken-jij 't (hik).. . 't kompas niet?”
“Jawel stuurman, ik heb...”
“Hou je bék, kleine klép-Chinees, of ik zal (hik). .. zal je 'n haal geven met 'n êndje drieduims.”
Het kind zweeg verschrikt. Angstvallig bleef hij de zeilstreep op de aangegeven koers houden, steeds strak-turend in het rossig-flakkerende schijnsel van het olie-verlichte kompas.
Bijna geruisloos gleden ze over zee. Wat zou-die-lopen? Niet veel, zo aan 't-water te zien: zes, zeven mijl misschien. Enfin, de kar draaide nog. Beneden, in de vetloods, hadden ze natuurlijk ook niet veel zin.
De tweede probeerde 'n pijp op te steken, maar hij werd 'r misselijk van. Dat hoofd, dat hoofd! Even ging-ie naar beneden om te drinken, zwolg gulzig mokken-vol water. Toen weer naar boven. Bah wat 'n smaak in z'n mond, en benen als lood. Eerst bleef-ie leunen naast het kompas. Vervolgens ging-ie zitten op de vlaggekist. Waarvan hij bijna áf-suizebolde toen z'n oogleden toé-zakten.
“Zég jó,” bedacht-ie opeens tegen de lichtmatroos.
“Blief-U stu’man?”
“Ik ga 'n beetje op de vlaggenkist liggen. Ik heb pijn-in-me-hoofd.” Hetgeen volkomen waar was.
“Blijft dit nou maar- sturen (hik)... Zuidwest-half-West... En als je nou récht-vooruit 'n gróót vuur ziet, van 'n (hik)… 'n vuurtoren bedoel-ik, dan waarschuw-je me. Snap-ie?”
“Jawel stu'man.”
Op het harde vlaggenkist-deksel vlijde de tweede z’n gepijnigde hoofd. Binnen de minuut ronkte hij, stráf-zagend.
De tijd kroop voort. Hoe laat 't werd wist 't kind niet, want ‘n horloge had-ie niet, en geen mens die er glazen sloeg. Boven z’n hoofd trilde de hemelkoepel, klaar ster-gesprankel in het nacht-diep-blauw. Rondom zee, zwart-duister, wijd. Vér aan stuurboord de Noordwaarts koersende toplichten van 'n boot. En éénmaal rakelings er langs, de hoog-driehoekige blanke schim van 'n Latijnzeil. Doch die schepen zág 't kind niet, want hij was te klein om over de opgehaalde schuilkleedjes te kijken, en ook omdat-ie maar steeds star-oogde op de verlichte kompasroos. Hij stuurde één, twee spaken, weinig roer geven was 'em geleerd.
Onderwijl sliep in z'n hut de ouwe. En hij droomde van 'n latwerk-priëeltje met purper-groen windende wingerdranken, van langhalzige flessen-in-stro vól fonkelzoete chianti, van 'n weelderige schone met donker krulhaar, vurige ogen, gouden ringen in haar oortjes, en met 'n vuurrode halsdoek waar donzig-blank haar boezem héél even doorgluurde.
De eerste stuurman lag in z'n kooi, en hij droomde van ’n latwerk-priëeltje. Op de vlaggekist lag de tweede stuurman, en in de slaap rekte hij z'n mond breed tot 'n grijns, want hij droomde.
Het kind werd moe. Sturen is ingespannen arbeid, en hij stond al wel twee dubbele torns van twee uur elk. Niemand kwam hem aflossen. De stuurman porren durfde hij niet. En het vuur? Hij zág geen vuur. Niks zag-ie dan die cirkel-met-punten en de streep in het rosse flakkerlichtje van 't kompas. Op 't-laatst hing ‘ie aan 't rad, maar prat op z'n taak bleef-ie turend sturen.
Totdat 'n geweldige schok, bij ratelend rijten van staal-op-steen hem neersmeet op z'n knieën, terwijl de tweede stuurman met 'n bonzende smak rollen kwam van de vlaggenkist af.
In zwijmel-doezeling waggelden de ouwe en de eerste aan dek, waarover moppen metselsteen en kalk-kruim kletterden.
De tweede had de koers góéd uitgezet, en ’t kind had bést gestuurd: ze waren bóvenop de vuurtoren gelopen.
Naar boven  
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht    
Kees Bloemkool
+25 Berichten geplaatst
+25 Berichten geplaatst


Geregistreerd op: 21-7-2004
Berichten: 46
Woonplaats: Rotjeknor

BerichtGeplaatst: Za Aug 21, 2004 12:34 am    Onderwerp:  Reageer met quote
Hallo Manne,
Mooi verhaal.
Kees zat as klein jongetje al in keilewinkels in Rotterdam en luisterde dan met rooie oortjes naar de verhalen van die ouwe zeelui die daar zate te happe.
Most van me moeder me ouwe heer uit de keilewinkel hale omdat de piepers gaar ware.
Maar meestal ware daarna de rape gaar.


_________________
De BALLLLUUUHHHHHHHHHHHHHH
Naar boven  
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Bekijk de homepage    
jaspar
Nieuwe gebruiker
Nieuwe gebruiker


Geregistreerd op: 24-8-2004
Berichten: 1
Woonplaats: Essex, UK

BerichtGeplaatst: Di Aug 24, 2004 12:06 pm    Onderwerp:  Reageer met quote
Bedankt Theo ik heb het gevonden - Henk
_________________
Henk. Essex, UK
Naar boven  
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Bekijk de homepage    
Theo Horsten
+100 Berichten geplaatst
+100 Berichten geplaatst


Geregistreerd op: 21-7-2004
Berichten: 156
Woonplaats: N.Griekenland

BerichtGeplaatst: Di Aug 24, 2004 1:59 pm    Onderwerp:  Reageer met quote
Ha! Kijk eens aan, dat is snel.

Welkom! Smile


Built by Text2Html